September
2025 September 2025
De zomermaanden zijn voorbij. Ik ga weer beginnen met het schrijven van korte stukken tekst over belevenissen van verre voorouders.
De verhalen gaan voorlopig over de ervaringen van Maria Elisabeth Grimm op haar reis van Dordrecht naar Koblenz in 1820.
De totale historie van haar tocht heb ik beschreven in mijn boek: “De reis van Maria Elisabeth Grimm in 1820,” Jacqueline Gruppelaar, uitgave Blurb.
Deze reislustige oudtante Maria Elisabeth Grimm is geboren op 26 oktober 1798 te Dordrecht. Zij heeft tijdens haar huwelijk met Jan Kroon gewoond te Amsterdam, wijk K, OZ Achterburgwal 25.
Haar broer Abraham Grimm, 1809-1864, is de directe voorvader van mijn echtgenoot Jan van Oeveren.
Abraham Grimm en zijn zus Maria Elisabeth komen uit een gezin met acht kinderen. Hun vader Johann Grimm, 1757-1815, heeft een bijzondere ontwikkeling doorgemaakt. Hij komt oorspronkelijk uit Breuna. Deze stad ligt in Duitsland, 30 km ten westen van Kassel.

Johann Grimm

Maria Elisabeth Birn
De ouders van Johann Grimm sterven helaas jong. Na zijn opvoeding in een pleeggezin, besluit hij op zestienjarige leeftijd naar Holland te emigreren, om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Hij legt de 400 km naar Holland te voet af.
Volgens hem woont er in Holland nog een verre neef, die hem behulpzaam kan zijn met een nieuw bestaan op te bouwen. Echter, in Holland aangekomen, wordt hem verteld, dat deze neef overleden is. Gelukkig wordt hij door andere mensen goed opgevangen en krijgt hij werk in een bakkerij. Door zijn arbeid in de bakkerij en in zijn vrije tijd te studeren, weet hij een goed bestaan op te bouwen in Dordrecht. In deze stad wordt hij, na zijn opleiding, door de burgemeester erkend als inwoner van de stad en benoemt de burgemeester hem tot keurmeester van de turf. Hij controleert de kwaliteit van de turf en hij zorgt ervoor dat de juiste belasting voor dit product wordt betaald. Op dertigjarige leeftijd durft hij een goed huwelijk aan te gaan met Maria Elisabeth Birn. (1789—1879).
Henriëtte Louise Grimm
Hun dochter Maria Elisabeth gaat in 1820, op 27-jarige leeftijd, samen met haar broer Franz (1791-1820) en haar schoonzus Christina van Eijsden een reis ondernemen van Dordrecht naar Koblenz. Het is voor haar broer François Grimm een zakenreis. Voor de dames Maria Elisabeth en Christina is het een plezierreisje met veel familiebezoek.
Maria Elisabeth schrijft op deze reis brieven naar haar moeder Maria Elisabeth Birn en haar jongere zus Henriëtte Louise Grimm, 1801-1880, te Dordrecht. Deze brieven zijn bewaard gebleven in het nationaal archief te Den Haag.
Volgende maand gaat mijn verhaal over het vertrek van de drie reizigers met de postkoets vanaf Gorinchem naar Nijmegen.
Oktober
2025 Oktober 2025
De reis van Maria Elisabeth Grimm in 1820
Op 7 juli 1820 schreef Maria Elisabeth een kort briefje aan haar moeder over haar aankomst in Gorinchem.
Gorinchem 7 july 1820
Lieve moeder
We zijn hier omstreeks zeven uren in goede welstand aangekomen, wij waren in den Doele afgestapt en hebben Pietje het naaikistje met den brief laten bezorgen maar zodra zij het kreeg, begreep zij dat wij in den stad waren, de gehele familie hebben wij welvarende gevonden. Pietje is ook veel beter en ziet er zeer goed uit. Zij heeft het plan om over veertiendagen of drie weken naar Dordrecht te vertrekken. Daar Schaffers dadelijk afreed hadden wij geen gelegenheid te schrijven. Ik hoop echter dat hij U berigt van onze behouden aankomst heeft gegeven. Morgenochtend ten zeven uren vertrekken wij naar Thiel. Mijnheer van den Koog heeft in Thiel zaken te doen en gaat met ons meede.
Nu, lieve moeder vaarwel. Wij omhelzen U allen in gedachten, groet alle de vrienden van ons, als ook van de familie van den Koog.
Uw liefhebbende dochter
Woning 388 in de Voorstraat was in 1820 het woonverblijf van familie Grimm.
Na een warm afscheid van familie, vrienden en moeder Mietje in de woning aan de Voorstraat te Dordrecht, vertrokken Maria, Franz en Chrisje naar Gorinchem. In deze stad vond hun eerste overnachting plaats.
Na hun aankomst in Gorinchem schreef Maria direct een briefje aan haar bezorgde moeder, dat ze alle drie veilig waren aangekomen. De brief gaf ze op tijd af aan een vertrekkende postwagen, richting Dordrecht. Het eerste tochtje naar Gorinchem was vermoeiend, maar verliep goed. Gezond en wel konden ze de volgende dag hun reis vervolgen.
In die tijd was reizen een spannende gebeurtenis. De tocht ging over onverharde zandwegen. Na een fikse regenbui werden deze rijbanen modderig en ontstonden er kuilen in het wegdek. In de winter waren, vooral na een vorstperiode, de paden onbegaanbaar. De tocht van Maria, Franz en Chrisje van Dordrecht naar Koblenz vond daarom in de zomermaanden plaats. De reistijden waren lang en niet comfortabel. De koets was veelal een rammelende kist op wielen, voortgetrokken door enkele paarden. Elke oneffenheid in de weg werd gevoeld. De komst van Maria, Franz en Chrisje te Gorinchem bleef niet onopgemerkt voor vriendin Pietje en haar familie. Ze gingen, ondanks hun vermoeidheid, toch nog even bij haar op bezoek.

Tekening Cornelis de Jonker

Tekening Johannes Jelgerhuis
De Doelen, Gorkum
Routekaart uit 1810
Maria, Franz en Chrisje overnachten in Gorinchem in de Doelen. De Doelen staat in de Molenstraat en is lange tijd het belangrijkste gebouw in de stad geweest. Dit gebouw was het 'clubgebouw' van de schutterij. De schutters oefenden met schieten in de lange achtertuin en hadden een rol in de eerste verdediging van de stad.
Ook werd het Doelhuys gebruikt voor de ontvangst van voorname gasten. Het stadsbestuur gebruikte het om gasten te ontvangen en onder te brengen.
Zo logeerden er stadhouder Maurits van Nassau in (1589) en later koning Lodewijk Napoleon (1809) en koning Willem I (1815). Het gebouw kreeg steeds meer de functie van hotel en vergaderruimte. Maria vond het vast heel bijzonder, dat ze in deze herberg mocht overnachten.
November
2025 November 2025
De reis van Maria Elisabeth Grimm
Op 8 juli 1820 reist Maria met de postkoets van Gorinchem naar Nijmegen. In de brief aan haar moeder legt zij haar reiservaringen vast.
M.E.Grimm
Gorinchem den 8 July 1820
Goedenmorgen lieve moeder Ik heb overheerlijk geslapen!
Het is vijf uuren en tegen zevenen is ons starten bepaald. Zoodat wij ons nu maar spoedig moeten gaan aankleden en ontbijten en dan trekken wij naar den Arkelstraat waar het rijtuig ons zal komen halen. Thans zijn wij te Nijmegen van waar ik U onze reis tot hier zal beschrijven.
( zondagmorgen zeven uren) Thans weer de koffers opgepakt en wij de poort uitgereden waren, was het omstreeks agt uren. Nu reden wij naar Thuil tegenover Bommel. Maar helaas Jula hebben wij niet voor Cateau kunnen groeten. Hoe verder wij kwamen hoe heerlijken gezigten de landschappen opleverden. Jammer was het dat er niet meer zonnenschijn was, welke anders zoveel toebrengt om deze lucht te verfraaye aan den veelen dorpen en buitenplaatsen. Reden wij ook langs Eck en de plaats van de Heer van Borselen, genaamd Waayenooyen( Wadenoyen). Ik heb beloofd dat voor Noorda op te zullen tekenen. Na te Thuil een kop koffie gebruikt te hebben vertrokken wij naar Thiel ten half twaalf waar wij ten een uren aankwamen en vanwaar wij na rust wat in de plantage gewandeld, gegeten, en van den Heer van der Koog afscheid genomen te hebben, tegen vier uren vertrokken. Nu reden wij langs IJzendoorn, Dodewaard en Oosterhout naar Thiel. Maar hier te Oosterhout heeft ook een verschrikkelijke doorbraak plaats gehad, gezien buitenplaatsen en huizen zijn verwoest en op sommige plaatsen gelijkt het naar een zandwoestijn, daar men omtrent de lengte van een kwartier onder den dijk, daar dezelve op verscheide plaatsen ontbreekt aan de baan, door het dikke zand, het welke door de rivier is aangespoeld, moet rijden.
Om half negen kwamen wij te Lent. Zeer schoon hadden wij Nijmegen voor ons liggen. Daar tegen de avond de lucht was opgehelderd en de laatste stralen der ondergaande zon de wit bepleisterde huizen beschenen. Nu gingen wij met de gierbrug over deze bak. Deze bak is zo nieuw dat men er makkelijk een bak op kan aanleggen en ten negen uren bevinden wij ons in Nijmegen in het logement bij Ariens in de Priemstraat.
Frans had een boodschap bij den Heer Noorduin. Daar deze niet thuis zijnde, zoo gingen wij naar de Molestraat bij de Lemelbrug naar neef ter Linden en maakten daar een boodschap aan de juf en welke bij ons kwamen, eene zuster van neef is, herkend Frans en begreep aanstonds wie wij waren. Wij moeten binnen gaan en nu kwam nigt Mietje te voorschijn. Zoodra ik haar zag, herinnerde ik mij nigt Kaatje op welke zij veel gelijkt. Uit genomen dat zij zegt veel dikker te zijn als deze nigt. Als deze nigt ook vrij gezet en zijne zullen welke wij nigt Truitje moeten noemen is in het geheel niet van de dunste. Zij waren zoo verheugd ons te zien. Wij moesten een warm broodje en een kopje chocolaa blijven drinken en in een half uur was het alsof wij reeds een jaar met elkander waren bekend geweest, zoodat wij indien de broeders en zusters ook hier waren ons zouden verbeeld hebben thuis te zijn. De familie in Creveld was, voor zoover zij bewust waren, zeer welvarende. Nigt Kaatje heeft twee kindertjes en nigt Mietje zoude daar zij in geen drie jaren in Creveld is geweest met ons medegaan indien haar jongste kindje, het welk drie maanden oud is niet zoo sterk met het zuur geplaagd en zich daardoor ziek bevindt gezond ware.
Ten twaalf uren gingen wij naar ons logement en ik heb zoo goed geslapen tot zes uren. Thans is Frans uit gegaan en komt tegen agt uren ontbijten. Chrisje slaapt nog en daar zij wat vermoeid was en wij toch niet voor morgen van hier vertrekke, zal ik haar nog maar wat laten liggen.Tegen elf uren gaan wij naar neef en zullen dan de stad en het Belvedere eens gaan bezigtigen. Hier hebt gij het verslag van onze reis tot hier. De post vertrekt ten twaalf uren. In Crefeld hoop ik een brief van U te ontvangen. Vaarwel beste lieve moeder. Kust al de broers en zusters als ook la belle Claire eens van ons. Vele groeten aan Noordaa en Jaager Koos en Koos ‘t Hooft. van welke wij geen afscheid hebben genomen.
Uwe hartelijke liefhebbende kinderen M. E. Grim, F. Grim, C. Grim
Van Gorinchem naar Thuil:
Maria en Franz en Chrisje reizen met de postkoets van Gorinchem naar Nijmegen. Om acht uur vertrekken zij vanuit de Arkelstraat te Gorkum. De reis gaat langs de Waal, over de dijk, langs dorpen en buitenplaatsen. Nadat ze de dorpen Dalem, Vuren, Herwijnen, Haaften zijn gepasseerd, bereiken ze tegen half twaalf het dorpje Thuil. In Thuil mogen de reizigers hun benen strekken. In de Langstraat te Thuil hebben ze tegen half twaalf een koffiepauze.
Het ritje over de zanderige dijk naar Thuil, is een hele belevenis geweest en zonder al dat geratel van de wielen en het geluid van de knallende zwepen over de paardenruggen, hebben ze elkaar veel te vertellen. In de omgeving van Dalem hebben ze de Dalemse Sluis en de Dalemse kerk gezien. De sluis is in 1815 aangelegd en is een onderdeel geworden van de Hollandse waterlinie.

Dalemse Sluis

Dalemse Kerk
Prachtig zicht hebben Maria, Chrisje en Franz op het Dalemse bakstenen zaalkerkje uit 1801 met het houten klokkentorentje. Jammer voor hen, dat de postkoets niet even stopt voor een kijkje in het interieur. Vooral het orgel is prachtig. Het is voorzien van Lodewijk XV- snijwerk. Nee, de reis gaat verder richting Vuren.
De gevolgen van de dijkdoorbraak in januari 1820 zijn nog goed zichtbaar voor hen. Veel grond is aan de binnenzijde van de dijk weggespoeld en veroorzaakt, dat langs de dijk diepe poelen, vol water zijn ontstaan. Deze wielen zijn, na drie eeuwen, nog steeds zichtbaar langs de Waal. De kolken getuigen nog steeds van rampspoed, van verdronken mensen en dieren en het verloren gaan van huizen en bezittingen.

Als ze Vuren naderen, zien ze veel bedrijvigheid langs de veldovens, waar de opgegraven klei in klompen steen veranderen. Grote steenfabrieken met hun ringovens bestaan nog niet.
De reizigers weten dat er in Herwijnen wel vier kastelen staan: Wadestein, Frissestein, de Engelenburg en de Drakenburg, ook wel genoemd, de Blauwe Toren. Het waren oude gebouwen uit de middeleeuwen in niet al te beste staat meer. Rond Herwijnen is er tegenwoordig niet veel meer van over, dan een ruïne of grasveld.
Vooral Maria geniet van de mooie vergezichten op het landschap met al die buitenplaatsen. Maria vindt het wel jammer, dat er weinig zonneschijn is. Alles ziet er dan nog mooier uit.

In het dorp Haaften zien ze oude boerderijen uit de vorige eeuw. Op de natte graslanden, omzoomd met wilgen en populieren, genieten de koeien van sappig gras. Prachtig is de boerderij met een brede voorgevel, met daarachter het woonhuis en haaks daarop het bedrijfsgedeelte. Een L- vormig geheel, gelijk een deurkruk. Ze vonden het gelijk een krukboerderij. De boeren zijn belangrijke leveranciers van graan, fruit, vee en paarden aan de rest van het land. Helaas zijn de bedrijven sterk afhankelijk geweest van natuurlijke omstandigheden. Aardappelziekte, stuifzanden, slecht weer en overstromingen brengen de oogst regelmatig in gevaar.
Op de oevers ziet Maria de riviervissers bezig. Er zijn nog genoeg trekvissen, zoals zalm en steur te vangen. Maria beseft direct dat haar reis niet alleen een pleziertje is. Haar broer handelt ook in vis. In verband met zijn handelsactiviteiten is deze reis gepland. Hij gaat regelmatig op bezoek bij handelsrelaties, zowel in Duitsland als in eigen land.
De koffiepauze in Thuil is een goed moment geweest. De reis gaat verder langs de Waal, richting Nijmegen. De volgende maand kom ik daar op terug.